Er gaat geen dag voorbij of ergens in de wereld vindt wel een
terroristische aanslag plaats. Pakistan, Afghanistan en Irak scoren
hoog. Je probeert je voor te stellen hoe het zou zijn om te moeten leven
met de dagelijkse angst dat er ergens (maar waar?) een bermbom kan
ontploffen, mensen ineens gaan schieten op moskeegangers of dat iemand
naast je zich opblaast. En misschien is dat wel het grootste succes van
terroristen, dat ze een samenleving verlammen door angst in te boezemen.
Het woord ‘terreur’ is dan ook afgeleid van het latijnse woord voor
bang maken.
Wat bezielt mensen om anderen te terroriseren, te gijzelen, te vermoorden of op de vlucht te jagen? Een mogelijk antwoord op die vraag geeft de journalist en essayist Ian Buruma in een boekje dat hij in 2004 schreef met Avishai Margalit getiteld Occidentalisme. Daaronder wordt verstaan de weerzin die in verschillende stromingen (religieuze extremisten, nationalisten) leeft tegenover het moderne, kapitalistische westen, met zijn vrijheid van het individu en zijn democratie. En het symbool van die verschrikkelijke vrijheid is de STAD, waar alles gebeurt wat God verboden heeft. Babel, Ninive, Amsterdam. De afkeer van het zondige beton en asfalt begon in het Westen zelf. Buruma noemt T.S.Eliot, Richard Wagner, Friedrich Engels en de Nazi-propaganda. Maar vooral de romantische denkers van de 18e en 19e eeuw. De verheerlijking van het onschuldige landleven en een dodelijke angst voor het intellect, voor vernieuwing en de vrije wil. Opmerkelijk hoe verwant de ideologie van Mao en van de Taliban hiermee is. En de strijd wordt, aldus Buruma, steeds harder gevoerd op grond van het onderscheid tussen ‘goeden en kwaden’, kinderen van het licht tegenover kinderen van de duisternis. Rest alleen nog de vraag : ‘Wie is er nou het meest bang?’ De terrorist voor de vrijheid of de moderne mens voor de terrorist?
Frans Fockema Andreae, emeritus-predikant
Bron: Adrem juli 2010
Stem ook op dit artikel:
|