Verhaal van Caspar Visser 't Hooft
Dertig jaar geleden deed het Nederlandse mannenvolk zijn ‘nette’ kleren weg. Als er bij hen nog een sprankje weerstand tegen de geest van de wegwerpcultuur voorhanden was dan brachten ze hun broeken-met-plooi en colbertjasjes naar het Leger des Heils. Daar kwamen dan oudere Turkse gastarbeiders zich bedienen. En terwijl de autochtonen rond gingen lopen in ‘casual wear’ – dat wil zeggen vormeloze vodden met op de raarste plekken kleppen, ritsen, knopen – liepen alleen de ‘Turken’ er nog keurig netjes bij. Jammer alleen dat de pijpen vaak te hoog ophielden en de mouwen bij de ellebogen glommen. We hadden het daarom, een beetje smalend, over ‘turkenpakken’.
Bij de oogarts Hoe oud was ik? Zestien – zeventien? Ik moest naar de oogarts, ik weet niet meer waarom. Voor m’n ogen. En ik zie mezelf nog in de wachtkamer zitten. Het was op de stationsweg in Leiden. Behalve mijn bloedeigen ik zaten er in dezelfde kamer een mevrouw met een rare bril en maar liefst vijf of zes oudere Turkse mannen – ja, in ‘turkenpakken’. Alle tamelijk klein van stuk, tanig, met leren gezichten, stoppelige wangen en donkere, vriendelijke ogen. Ik dacht natuurlijk: als ze allemaal, de één na de ander, naar dokter N. moeten, dan wordt het voor mij lang wachten geblazen. Ik bleek me te vergissen. De assistente van dokter N. betrad weldra het wachtlokaal, op de voet gevolgd door een meisje (of een jonge vrouw) van ik schat tussen de achttien en de twintig. De assistente gaf haar te kennen dat ze hier weer even kon wachten, totdat de tests die ze zojuist bij dokter N. had ondergaan klaar waren (ik zeg maar wat – ik ben geen ophtalmoloog – maar zoveel begreep ik dat ze zojuist de dokter had gezien en dat ze even moest wachten voordat ze bij hem terug mocht komen). Wie of er nu aan de beurt was? Het bleek de mevrouw met de rare bril te zijn.
Danspassen Zelden heb ik iemand zo blij gezien als dat meisje dat nog even in de wachtkamer moest zitten voordat ze weer bij dokter N. mocht komen. Ze was een Turks meisje. Want ze bleek te horen bij de vijf – zes oudere mannen in de wachtkamer. Was één van hen haar vader en waren de andere ooms, of buren? Ik denk het. Waren ze met zovelen gekomen omdat het in een vreemd land (want dat was Nederland nog steeds voor hen) maar het beste is om je samen-sterk te tonen wanneer je iets belangrijks moet regelen? Hoe het ook moge zijn, ze waren gekomen voor haar, voor dat meisje. Ik geloof dat ze bijna blind was. Een beeld zweeft me voor de geest: zoals ze daar staat, midden in het vertrek. Ze is tamelijk lang, en slank. Donker, sluik haar valt op haar schouders (over hoofddoekjes hàd niemand het in die tijd). Ze draagt een Schotse rok met een speld die tot onder haar knieën rijkt. De oudere Turkse mannen, die in een halve cirkel zitten, kijken naar haar op - en waarachtig, het is alsof ze danspassen maakt! En alsof ze tegelijk niet goed ziet waar ze haar voeten zet. Een stille, intieme dans. En dan buigt ze naar een van de oudere mannen voorover. Een gratie! Alles in haar wezen drukt blijdschap en hoopvolle verwachting uit.
Wat zie je nu? Heeft dokter N. haar kunnen helpen? Heeft hij ervoor gezorgd dat ze weer kon zien? We kunnen dankzij de medische wetenschap zoveel. Turks meisje – toen je eindelijk weer kon zien, of misschien zelfs voor het allereerst kon zien, wat zag je toen? Of heeft dokter N. je destijds toch niet kunnen helpen, en heb je op vandaag moeten wachten, omdat pas vandaag - dertig jaar later – de technieken voorhanden zijn waarmee de specifieke oogaandoening waar je aan leed kan worden genezen? En zo ja, wat zie je nu ?
Hatende mensen Mensen die haten en haat zaaien? Niets zo vulgair als mensen die haten. Vriendelijke mensen Nee, weet je wat ik vind? Ik vind dat we van de dag dat dat Turkse meisje weer kan zien een heel speciale dag moeten maken. Een mooie dag. Een dag dat we ons voor de verandering vriendelijk en ingetogen tonen (prachtig woord: ‘ingetogen’!). Ze kan eindelijk zien, laat dan dat wat ze ziet ook de moeite van het zien waard zijn. Vriendelijke, ingetogen mensen – een cadeau dat we haar doen. Zomaar. En als we dat één dag volhouden, waarom dan niet een tweede dag erbij, en een derde, en een vierde, een hele week, twee weken. Totdat we eraan wennen: vriendelijk… Voor dat éne Turkse meisje dat danspassen maakte in de wachtkamer, zo blij als ze was dat ze binnenkort eindelijk kon zien. Waarom niet? Caspar Visser 't Hooft is theoloog en schrijver en woont in Frankrijk Klik hier om meer informatie te lezen.
Stem ook op dit artikel:
|