Door Alex Noord
Hoe langer ik predikant ben, hoe moeilijker ik het vind om iets eenduidigs over de doperse traditie te zeggen. Misschien wel het belangrijkste kenmerk van doopsgezinden is dat zij het onderling (bijna) nooit eens zijn; over welhaast alles wordt verschillend gedacht.
‘Een gemeente is een gemeenschap op emotionele grondslag’, zo vatte een gemeentelid het eens kernachtig samen. Ik ben bang dat dit gemeentelid gelijk had. Veel principes zijn verwaterd en wat blijft is de emotie: het ‘gevoel’ dat men heeft bij een bepaald onderwerp. Heel redelijk klinkt dat niet, maar het is de vraag of het in de doperse geschiedenis ooit anders is geweest. Wat is het doopsgezind eigene? Het opmerkelijke is dat buitenstaanders dat welhaast zuiverder lijken te weten dan de doopsgezinden zelf. In oecumenisch verband worden onmiddellijk woorden gesproken als ‘historische vredeskerk’ en ‘openheid naar buiten’ wanneer over doopsgezinden wordt gesproken. Het idee lijkt te bestaan alsof in doopsgezinde kring nog voluit en met hartstocht theologie wordt bedreven: ondogmatisch, betrokken op de wereld, in een geestelijke verdraagzaamheid die verbindt. De werkelijkheid is anders. Doopsgezinden lijken met hun eigen traditie en geschiedenis nauwelijks raad te weten. Een predikant die vrij nieuw was in de doopsgezinde wereld vroeg eens aan een aantal collega’s wat volgens hen nou het meest kenmerkende was voor de eigen richting. De antwoorden waren (wie had anders verwacht?) alweer niet eensluidend. Gaandeweg het gesprek leek de verwarring alleen nog maar toe te nemen. Die ingewikkelde doopsgezinde traditie weegt soms als een molensteen om onze nek! En toch, ondanks dat, geloof ik dat er zoiets is als een ‘doopsgezind gedachtegoed’. Ik vermijd hier met opzet het woord traditie, omdat het niet tot ons gedachtegoed lijkt te behoren dat we ‘zuilen oprichten’ en ‘kerken bouwen’. Ik wil pleiten voor een herontdekking van het aloude begrip weerloosheid als belangrijkste kenmerk van de doopsgezinden. Weerloosheid, zoals Tieleman van Braght in zijn Martelaersspiegel de doopsgezinden ‘Weereloose Christenen’ noemde en de dichteres Henriëtte Roland Holst sprak van ‘zachte krachten die zeker zullen winnen in ‘t eind’.
Weerloosheid is wat mij betreft een breder begrip dan geweldloosheid alleen. Doopsgezinden gaan in zachtmoedigheid hun weg, in een innerlijke levenshouding die niet is opgelegd van bovenaf – door kerkelijke instituties of dogmatische formules – maar die in het leven van alledag gevonden wordt, wanneer in alle vrijheid uitdrukking wordt gegeven aan een zuiver persoonlijke wijze van discipelschap. Weerloosheid uit zich in een bepaalde eenvoud, noem het zelfs vroomheid, waarin niet de vorm maar de inhoud er toe doet. Uit alles blijkt: daden gaan woorden te boven en de gemeente is een oefenplaats van het geloof. Het lijkt wat ouderwets zoals ik het hierboven beschrijf. Toch kom ik in mijn werk nog heel vaak oudere en jongere mensen tegen die ongeveer op deze wijze in het leven staan. Bewust levende doopsgezinden, die hun kracht niet zoeken in de grootheid van de dingen, maar in de bescheidenheid van hun eigen leven. Dat kan wel eens van grote kracht zijn in onze zo snel veranderende wereld. Afbeelding: Schilderij van Elisabeth Heuff-Kuylaars: ons dagelijks brood
Bron: Doopsgezind NL no. 3
Stem ook op dit artikel:
|